Commentary About the Communitarian Network

The following is an essay about Communitarian Network director Amitai Etzioni published in Dutch by Paul van Seters.

Biografie

Amitai Etzioni ziet het levenslicht in 1929 in Keulen (Duitsland) als Werner Falk. Halverwege de jaren dertig vlucht het Joodse gezin Falk voor het naziregime. Na een tussenstop in Griekenland vestigt het gezin zich uiteindelijk in 1937 in het toenmalige Palestina. Daar krijgt de achtjarige Werner van het hoofd van zijn lagere school een nieuwe voornaam: Amitai, afgeleid van het Hebreeuwse woord emet (waarheid). De jonge Amitai groeit op in een landbouwcoöperatie (minder collectivistisch dan een kibboets) en verblijft, wanneer zijn vader in 1941 dienst neemt in de Joodse Brigade (een onderdeel van het Britse leger), twee jaar op een kostschool.

In 1944, terug in het ouderlijke gezin, raakt de dan vijftienjarige Amitai betrokken bij het ondergrondse Joodse verzet (de Hagana) dat zich steeds feller verweert tegen het Britse gezag, onder meer door het aan land brengen en transporteren van illegale Joodse immigranten. In 1946 gaat Amitai op zeventienjarige leeftijd voortijdig van school om een training te volgen bij de Palmach, de commando-eenheid van de Hagana. Tijdens die training blijkt de noodzaak van een nieuwe achternaam, omdat de Britse politie beslag heeft weten te leggen op de identiteitskaarten van de Palmach. Bij die gelegenheid kiest Amitai Falk de naam Etzioni, afgeleid van het Hebreeuwse woord etz (boom), een naam die hij al eerder gebruikt heeft als pseudoniem voor de stukken die hij schrijft voor de schoolkrant van zijn kostschool. Van 1947 tot 1949 is Amitai Etzioni actief als commando, aanvankelijk nog in het illegale verzet tegen het Britse mandaat, later—nadat in mei 1948 de staat Israël is uitgeroepen—in de Onafhankelijkheidsoorlog tegen de Arabische legers.

Eind 1949, na afloop van de Onafhankelijkheidsoorlog, wordt Etzioni ontslagen uit het leger. Zonder diploma van een middelbare school kan hij aanvankelijk nergens terecht. Wel komt hij in aanmerking voor een nieuw instituut in Jeruzalem, opgericht door de beroemde filosoof Martin Buber. Na zijn jaar bij Buber wordt hij toegelaten als reguliere student aan de Hebreeuwse Universiteit, ook in Jeruzalem. Daar volgt hij colleges onder anderen van S.N. Eisenstadt en Yonina Talmon, en weer van Buber. In 1956 voltooit hij zijn masteropleiding in de sociologie. Begin 1957 vertrekt hij naar de Verenigde Staten, waar hij aan de Universiteit van Californië in Berkeley in anderhalf jaar zijn dissertatie schrijft en promoveert, opnieuw in de sociologie. Zijn belangrijkste hoogleraren in Berkeley zijn Seymour M. Lipset, Philip Selznick en Reinhard Bendix.

In het najaar van 1958 krijgt Etzioni zijn eerste baan, aanvankelijk als instructor, vervolgens als assistant professor, aan de Sociologische Faculteit van de Columbia Universiteit in New York City. In de jaren daarna maakt hij een academische bliksemcarrière, onder meer door de publicatie van een inmiddels klassiek boek over organisatiesociologie, A Comparative Analysis of Complex Organizations: On Power, Involvement, and Their Correlates (1961), op basis waarvan hij al in 1961 aan Columbia een vaste aanstelling krijgt als associate professor. Een paar jaar later publiceert hij een studie op het terrein van internationale relaties, Political Unification: A Comparative Study of Leaders and Forces (1965). Vervolgens wijdt hij zich aan de algemene sociale en politieke theorie, wat leidt tot een boek van 700 pagina’s, The Active Society: A Theory of Societal and Political Processes (1968), volgens veel commentatoren, maar ook volgens hemzelf, zijn beste academische boek.

Naast een verbluffend hoge productie aan academisch werk is Etzioni in diezelfde jaren ook voortdurend actief betrokken bij actuele maatschappelijke en politieke kwesties, vooral door zijn rol in de vredesbeweging en het verzet tegen de verspreiding van kernwapens. Over deze laatste onderwerpen schrijft hij begin jaren zestig twee boeken: The Hard Way to Peace: A New Strategy (1962) en Winning without War (1964). Vanaf 1964 is hij steeds prominenter aanwezig bij protesten tegen de oorlog in Vietnam. Dit laatste bezorgt hem veel negatieve publiciteit, ook binnen zijn eigen universiteit. Desondanks krijgt hij in 1967 zijn benoeming tot full professor aan Columbia, vooral op basis van de uitzonderlijke kwaliteit van The Active Society.

Deze combinatie van academicus en activist loopt als een rode draad door het leven van Etzioni, ook na de erkenning en bevestiging van zijn universitaire positie in 1967. De favoriete frase die hij zelf gebruikt voor een activistische hoogleraar is publieke intellectueel. In zijn in 2003 verschenen memoires, My Brother’s Keeper: A Memoir and a Message, beschrijft hij uitvoerig zijn niet aflatende ambitie om eerst en vooral zo’n publieke intellectueel te zijn. Hij spreekt in dat verband zelfs over een roeping. Zijn memoires vormen in feite een verslag van de uiteenlopende vormen die zijn activisme in de loop der jaren heeft aangenomen, mede bepaald door de afwisselende fasen van zijn academische loopbaan.

In 1968 richt Etzioni het Center for Policy Research op. Eind jaren zeventig is hij een jaar lang Speciaal Adviseur in het Witte Huis onder president Carter. In 1980 verruilt hij Columbia voor de George Washington Universiteit in Washington, DC, waar hij wordt benoemd als de eerste Universiteitshoogleraar. Zijn ervaringen in het Witte Huis versterken zijn kritiek op de conventionele neoklassieke economische wetenschap. Zijn eigen alternatieve benadering van economische vraagstukken omschrijft hij als socio-economics. In 1988 publiceert hij daarover een boek, The Moral Dimension: Toward a New Economics. En om deze ideeën meer kracht bij te zetten, richt hij in 1989 een nieuwe organisatie op, de Society for the Advancement of Socio-Economics (SASE).

Maar zoals Etzioni zelf in zijn memoires benadrukt, zijn grote moment als publieke intellectueel moet dan nog komen. Immers, sinds het begin van de jaren negentig staat hij vooral en in toenemende mate bekend als pleitbezorger en voorman van een nieuwe politieke beweging, het communitarisme of gemeenschapsdenken. In 1990 is hij initiatiefnemer van het Communitarian Network, een organisatie gewijd aan versterking van de morele, sociale en politieke grondslagen van de samenleving. In 1991 start hij het tijdschrift The Responsive Community, dat uitgroeit tot een belangrijke spreekbuis van de beweging. In de loop van de jaren negentig publiceert hij verschillende boeken waarin hij zijn opvattingen over het communitarisme uiteenzet. Van bijzonder belang in dat verband zijn The Spirit of Community: Rights, Responsibilities, and the Communitarian Agenda (1993) en The New Golden Rule: Community and Morality in a Democratic Society (1996).

De afgelopen jaren manifesteert Etzioni zich daarnaast opnieuw met een thema dat hem zijn hele leven al heeft beziggehouden: het vraagstuk van vrede en veiligheid in het kader van veranderende internationale betrekkingen. Zijn opvattingen daarover zijn vooral terug te vinden in twee recente boeken van zijn hand: From Empire to Commuity: A New Approach to International Relations (2004) en Security First: For A Muscular, Moral Foreign Policy (2007). Over deze kwesties publiceert hij tegenwoordig ook met grote regelmaat op opiniepagina’s van kranten in de Verenigde Staten en Europa, waaronder NRC Handelsblad en Trouw.

De studie van organisaties

In zijn memoires benadrukt Etzioni dat hij als socioloog aanvankelijk in organisaties is geïnteresseerd omdat hij die beschouwt als de meest doelgerichte van alle vormen van maatschappelijke inspanningen. Maar omdat organisaties (zoals bedrijven, legers, scholen) zo vaak falen bij het realiseren van hun doelen, is hij vooral geïntrigeerd door de vraag welke krachten organisaties van hun doel afhouden of dat doel juist helpen verwezenlijken. In de periode dat hij zijn onderzoek begint (eind jaren vijftig), is er sprake van academische versnippering: industriële sociologen houden zich bezig met bedrijven, criminologen met gevangenissen, godsdienstsociologen met kerken, bestuurskundigen met overheidsorganisaties. Om die reden gebruikt hij een betrekkelijk nieuwe, overkoepelende term voor zijn onderwerp: complexe organisaties.

Etzioni’s theorie van complexe organisaties, duidelijk schatplichtig aan het in die dagen in de Amerikaanse sociologie dominante structureel-functionalisme van Talcott Parsons, is gebaseerd op twee soorten onderscheid. In de eerste plaats het onderscheid tussen drie verschillende soorten macht die organisaties, van bovenaf, kunnen aanwenden om hun leden te controleren: het gebruik van dwang of de dreiging daarmee; de toewijzing van materiële beloningen; en de manipulatie van normatieve waarden. In de tweede plaats het onderscheid tussen drie verschillende soorten betrokkenheid die leden, van onderop, kunnen hebben bij hun organisaties: gevoelens van vijandigheid of vervreemding; berekening of afweging van eigen voor- en nadeel; en morele betrokkenheid. De centrale vraag is dan hoe organisaties erin slagen dat wat zij willen en nodig hebben af te stemmen op waar hun leden de voorkeur aan geven. Dit wordt door Etzioni aangeduid met het lastig vertaalbare begrip “compliance”: de combinatie van machtsuitoefening binnen een organisatie met de betrokkenheid van de leden bij die organisatie. Compliance betekent, in deze context, de bijzondere manier waarop de leden van een organisatie zich voegen naar de richtlijnen van de leiding van die organisatie.

De drie typen macht en de drie typen betrokkenheid leiden in theorie tot negen mogelijke combinaties. Etzioni stelt echter dat er in de praktijk in het algemeen slechts drie congruente typen voorkomen: dwangorganisaties (dwang gecombineerd met vijandigheid/vervreemding, zoals bijvoorbeeld in gevangenissen, concentratiekampen en psychiatrische inrichtingen), utilitaire organisaties (materiële beloning gecombineerd met berekening, zoals bijvoorbeeld in bedrijven) en normatieve organisaties (symbolische macht gecombineerd met morele betrokkenheid, zoals bijvoorbeeld in kerken en vrijwillige organisaties). Bij deze drie typen van organisatie bestaat er een natuurlijke verwantschap tussen machtsuitoefening en betrokkenheid. De andere zes combinaties leiden tot incongruente organisatietypen: daar levert de koppeling van machtsuitoefening en betrokkenheid iets op dat wringt, waardoor de organisatie minder goed functioneert of zelfs niet levensvatbaar is.

Op basis van dit onderscheid tussen congruente en incongruente organisatietypen formuleert Etzioni zijn centrale “dynamische hypothese”: “Congruente typen zijn effectiever dan incongruente typen. Organisaties staan onder druk om effectief te zijn. Vandaar dat organisaties de neiging vertonen hun compliance-structuur aan te passen van incongruent naar congruent, terwijl organisaties die beschikken over een congruente compliance-structuur de neiging vertonen om weerstand te bieden aan factoren die hen in de richting van een incongruente compliance-structuur dringen.” De compliance-structuur van een organisatie zal echter vaak niet overeenkomen met de manier waarop die organisatie door de buitenwereld wordt gezien. Gevangenissen en psychiatrische inrichtingen kunnen zowel dwangmatige als normatieve organisaties zijn, en vakbonden kunnen alle drie de congruente organisatietypen in zich bergen. Ook is discrepantie mogelijk tussen het zelfbeeld van een organisatie en wat feitelijk onderzoek naar die organisatie uitwijst. Gevangenissen die zichzelf afficheren als instellingen voor resocialisatie, kunnen in werkelijkheid niet méér zijn dan dwangmatige organisaties wier enige doelstelling is om maatschappelijk ongewensten achter slot en grendel te houden. Psychiatrische inrichtingen die zich laten voorstaan op hun therapeutische agenda, zijn vaak in feite niet meer dan gevangenissen waar uitsluitend de orde wordt gehandhaafd. En vakbonden die zich officieel laten voorstaan op de verdediging van de rechten van werknemers (normatieve compliance), zijn in werkelijkheid ofwel vooral bezig met zakelijke dienstverlening (utilitaire compliance) of zijn soms zelfs onderdeel van georganiseerde misdaad (dwangmatige compliance).

Deze uiteenzetting zou de indruk kunnen wekken dat Etzioni geen specifieke voorkeur heeft voor één van de drie congruente typen, dat ze als het ware elkaars morele equivalent zijn. Maar dat zou neerkomen op een misverstand. Uiteindelijk is normatieve compliance de beste garantie voor de effectiviteit van een organisatie, van welk organisatietype ook maar. Wanneer leden van een organisatie betrokken zijn uit innerlijke morele overtuiging, dan maakt dat de organisatie sterker dan wanneer die betrokkenheid bepaald wordt door externe, gemakkelijk te manipuleren prikkels. Ook in zijn memoires benadrukt Etzioni dat zijn theorie van complexe organisaties altijd een normatieve boodschap heeft gehad: organisaties die appelleren aan de waarden van hun leden zijn superieur aan organisaties die vertrouwen op beloningen, en die zijn op hun beurt stukken beter dan organisaties die gebruik maken van dwang. Bovendien meent hij een algemene maatschappelijke trend waar te nemen: organisaties bewegen zich in de richting van een groter vertrouwen op waarden en minder vertrouwen op dwang.

Van organisaties naar samenleving

Halverwege de jaren zestig verlegt Etzioni zijn werkterrein van complexe organisaties en internationale betrekkingen naar de algemene sociale en politieke theorie. Die overgang is minder radicaal dan op het eerste gezicht lijkt. De invloed van het heersende sociologische paradigma van het structureel-functionalisme (van Talcott Parsons, maar ook van Columbia-collega Robert K. Merton) blijft duidelijk zichtbaar. Etzioni omschrijft zijn nieuwe onderneming als een zoektocht naar een theorie van macroscopische actie. In allerlei opzichten bouwt die theorie echter voort op het onderscheid dat centraal staat in zijn studie van organisaties en internationale betrekkingen: aan de ene kant een elite of leiding die macht uitoefent van bovenaf; aan de andere kant de basis die daar van onderop bij betrokken is. In die termen laat zich ook een samenleving denken: een bovenlaag die zich doelbewust inzet voor maatschappelijke en politieke verandering; daaronder de bevolking die zo’n verandering moet dragen of steunen.

In de eerste alinea van het Voorwoord van The Active Society vat Etzioni zijn programma kernachtig samen. Hij beschouwt 1945 als het breukvlak van twee tijdperken: het moderne tijdperk, van vóór de Tweede Wereldoorlog, dat zich kenmerkt door de gestaag toenemende kracht van productietechnieken, wat echter ten koste gaat van de waarden die deze technieken geacht worden te dienen; en het postmoderne tijdperk, ná de Tweede Wereldoorlog, dat zich onderscheidt door een radicale transformatie van communicatie-, kennis- en energietechnologieën. Vanaf 1945 ziet Etzioni dus de ontwikkeling van een nieuw soort samenleving, de postmoderne samenleving, waarin volgens hem sprake zal zijn ofwel van een grotere bedreiging van waarden door de opkomende technologieën, ofwel van een herbevestiging van de normatieve prioriteit van die waarden. Hij schrijft: “Welk alternatief de bovenhand krijgt zal bepalen of de samenleving de dienaar of de meester is van de instrumenten die zij creëert. De actieve samenleving, die welke meester is van zichzelf, is een optie die geboden wordt door het postmoderne tijdperk. Een verkenning van de voorwaarden waaronder deze optie kan worden gerealiseerd is het onderwerp van [dit boek].”

Etzioni begint zijn theorie over de formatie van een collectieve wil en de organisatie van collectieve actie op macroscopisch niveau met de filosofische vraag in welke mate ons lot is onderworpen aan onze wil of juist is voorbestemd door krachten die wij kunnen begrijpen noch controleren. Zijn mensbeeld is tegelijkertijd sociaal én rationeel. Menselijke wezens streven naar zelfbewustzijn en handelen rationeel, maar dit zijn geen kenmerken van geïsoleerde individuen. Deze kenmerken zijn juist bij uitstek sociaal van aard, zoals mensen van nature sociale wezens zijn. Etzioni schrijft: “To be is to be social.” Dit uitgangspunt vormt de schakel tussen het microniveau en het macroniveau van een theorie van collectieve actie.

Vervolgens zoekt Etzioni steun bij de cybernetica en de daar ontwikkelde theorie van systemen die bestaan bij de gratie van sturingsmechanismen. Om een soortgelijke theorie te ontwikkelen voor de sturing van samenlevingen, stelt hij, zijn democratische processen noodzakelijk. Wanneer mensen controle willen uitoefenen op hun geschiedenis, dan moeten zij betrokken zijn bij de ontwikkeling van de signalen waarop zijzelf moeten reageren. Met zijn idee van doelbewuste sociale verandering vaart Etzioni een middenkoers tussen enerzijds de evolutionaire, collectivistische vooronderstellingen die zo’n belangrijke rol spelen in grote delen van de sociologische traditie en anderzijds het overmatig voluntaristische karakter van veel van de politieke wetenschap van die tijd.

Volgens Etzioni kent een systeem van sociale sturing of collectieve actie vier hoofdcomponenten: kennis, besluitvorming, macht en consensus. Het grootste deel van The Active Society is gewijd aan de verkenning van deze vier onderwerpen. De rol van kennis als maatschappelijke factor die leidt tot maatschappelijk bewustzijn is cruciaal voor strategieën van maatschappelijke besluitvorming, met name voor mixed scanning als een alternatief voor enerzijds rationele en anderzijds incrementele besluitvorming. De rol van de factor macht en de betekenis van maatschappelijke consensus (betrokkenheid) zijn we eerder al bij Etzioni’s organisatietheorie tegengekomen. Een actieve samenleving wordt gekenmerkt door de balans tussen machtsuitoefening (sturing) van bovenaf en consensus- of meningsvorming van onderop. Wanneer die twee processen beide matig zijn ontwikkeld, dan is sprake van een passieve samenleving. Als de balans tussen de twee ontbreekt, en de top de basis overheerst, dan is sprake van een gemanipuleerde samenleving. Is het omgekeerde het geval, en overheerst de basis de top, dan is sprake van een samenleving op drift. De toenmalige communistische staatsvormen ziet Etzioni als een voorbeeld van het eerste; de kapitalistische democratieën als een voorbeeld van het tweede.

Een passieve samenleving kan op verschillende manieren actief worden gemaakt. In primitieve samenlevingen ontbreken de voorwaarden voor een hoger niveau van organisatie. Maar in moderne, hoogontwikkelde samenlevingen bestaan die voorwaarden wél. Het komt erop aan, via sociale mobilisering, het activiteitenniveau van groepen te intensiveren en verbeteren. Bij gemanipuleerde samenlevingen is de inzet vooral een hoger niveau van consensusvorming; bij samenlevingen op drift vooral een hoger niveau van beheersing en besluitvorming (machtsuitoefening). In beide varianten transformeert een samenleving van passief naar actief.

Het idee van menselijke basisbehoeften vormt het sluitstuk van de theorie van macroscopische actie. Worden die behoeften niet vervuld, dan ervaren mensen hun leven als een vorm vanvervreemding. Etzioni maakt veel werk van het begrip responsiviteit: het vermogen van samenlevingen om aan de wezenlijke behoeften van mensen tegemoet te komen. De actieve samenleving is een samenleving die responsief is ten opzichte van de authentieke behoeften en waarden van haar leden.

De Morele Dimensie

In de loop van de jaren zeventig en tachtig richt Etzioni zijn aandacht steeds systematischer op economische vraagstukken. Zijn onderzoek als fellow aan het Brookings Institution (1978–1979), zijn rol als Speciaal Adviseur van president Carter (1979–1980) en zijn ervaring als gasthoogleraar aan Harvard Business School (1985–1987) sterken hem in zijn kritiek op het heersende neoklassieke economische gedachtegoed. Dit alles is aanleiding voor het schrijven van een boek, dat eind 1988 verschijnt onder de titel The Moral Dimension: A New Approach to Economics. In zijn memoires omschrijft Etzioni deze studie als “een fundamenteel andere manier van denken over de menselijke natuur, samenleving en economisch gedrag dan die van de dominante school van economen.” De focus van het boek wordt bepaald door de volgende drie vragen: (1) Wat stellen mensen zich ten doel als zij zich ergens voor inspannen (wat zijn hun “nutsfuncties”)? Waar zijn mensen op uit? (2) Hoe bepalen mensen welke middelen zij bij die inspanningen moeten gebruiken? Hoe kiezen mensen hun instrumenten? (3) Wie zijn de actoren die al deze beslissingen nemen? Zijn dat in vrijheid handelende personen of individuen? Of zijn dat mensen die lid zijn van allerlei gezinnen, groepen van gelijkgezinden en gemeenschappen die hun keuzes diepgaand beïnvloeden?

Etzioni introduceert een neologisme voor zijn nieuwe economische paradigma: socio-economie. Het idee van socio-economie is gebaseerd op drie vooronderstellingen: (1) mensen zijn niet alleen maar uit op het maximeren van hun eigen genot, maar worden heen en weer geslingerd tussen hun eigenbelang en hun waarden; (2) vaak handelen zij niet-rationeel; (3) zij gedragen zich in belangrijke mate als leden van groepen veeleer dan als vrije personen. Deze drie vooronderstellingen werkt Etzioni uit in de drie delen van The Moral Dimension. De titels van die delen weerspiegelen de drievoudige boodschap van socio-economie: (1) voorbij genot—pleidooi voor deontologische maatschappijwetenschappen; (2) voorbij rationalisme—de rol van waarden en emoties; (3) voorbij radicaal individualisme—de rol van gemeenschap en macht.

De hoeksteen van Etzioni’s theorie in The Moral Dimension wordt gevormd door het onderscheid tussen twee soorten keuzes die mensen maken: het ene noemt hij logisch/empirische (L/E) keuzes, het andere normatief/affectieve (N/A) keuzes. Bij L/E-keuzes laten mensen zich leiden door berekening van hun eigenbelang in materiële zaken; bij N/A-keuzes door morele verplichtingen die voortkomen uit sociale banden met anderen. Volgens Etzioni kunnen individuele motieven aangaande morele verplichtingen en affectieve banden niet gereduceerd worden tot overwegingen van eigenbelang of genotzucht. In plaats daarvan schetst hij een model van menselijk gedrag waarin voorkeuren ontstaan uit de complexe interactie van logische, empirische, normatieve en affectieve factoren.

Etzioni verwerpt dus de atomistische vooronderstellingen en het methodologisch individualisme van het conventionele neoklassieke paradigma in de economie, alsook het rationele-keuzemodel dat vigeert in andere sociale wetenschappen. Zijn eigen alternatief komt neer op een vernieuwde versie van Bubers Ik en Gij, waarbij hij de fusie tussen het individuele en het sociale benadrukt door beide te beschrijven met een enkele term: het Ik & Wij. Het samengaan van Ik & Wij is onvermijdelijk en onverbreekbaar. Etzioni’s paradigma van de socio-economie biedt zo een alternatief perspectief op het aloude probleem van sociale orde: “The I’s need a We to be.”

The Moral Dimension ontwikkelt vervolgens een visie op de rol van de gemeenschap en van machtsrelaties bij de beteugeling van de uitoefening van individuele rationaliteit en van marktransacties. In dat verband stelt Etzioni dat de beslissingen die economen gewoonlijk bestuderen eigenlijk helemaal geen individuele beslissingen zijn, maar een afspiegeling van de samenleving, politieke gemeenschap, cultuur en subcultuur, klasse en van veranderingen op al deze niveaus. Collectieve rationaliteit is daarom voor Etzioni niet alleen veel méér dan de optelsom van individuele beslissingen, het is in de meeste gevallen ook superieur daaraan. Anders gezegd: collectieve rationaliteit leidt tot kwalitatief betere beslissingen. Innovatie heeft in de praktijk dan ook vaak weinig te maken met de mythe van de rauwe individualistische ondernemer, maar voltrekt zich typisch binnen structuren van collectieve actie.

Ten slotte richt Etzioni zijn kritische pijlen in The Moral Dimension op het idee van de zogenaamde vrije markt. In werkelijkheid zijn de transacties tussen individuen zelden of nooit gebaseerd op gelijke omstandigheden, en competitie is een vorm van beperkt conflict dat altijd is ingebed in een meer omvattend sociaal systeem.

De communitaristische beweging

Eind jaren tachtig leeft bij Etzioni dus de overtuiging dat er iets grondig mis is met de Amerikaanse samenleving: hij constateert een schrijnend sociaal en moreel tekort. In zijn memoires licht hij toe hoe hij in deze opvatting wordt gesterkt door het spraakmakende boek van de Berkeley-socioloog Robert N. Bellah e.a., Habits of the Heart: Individualism and Commitment in American Life (1985), maar hoe dit tegelijkertijd aansluit bij het werk van klassieke sociologen over de relatie tussen het individu en de gemeenschap waar hij begin jaren vijftig kennis mee maakte als student aan de Hebreeuwse Universiteit. Dat alles, stelt hij in hetzelfde verband, wordt eveneens bevestigd door recente geschriften van de filosofen Charles Taylor, Michael Sandel en Michael Walzer, die vaak worden aangeduid als communitaristen.

Etzioni’s maatschappelijke diagnose van dat moment komt neer op het volgende. Individuele rechten moeten worden gekoesterd, maar de bijbehorende sociale verantwoordelijkheden zijn ernstig verwaarloosd. Het delicate evenwicht tussen rechten en verantwoordelijkheden is verstoord; dat evenwicht moet dringend worden hersteld. De morele infrastructuur van het land is bouwvallig, en is toe aan een grondige opknapbeurt. De samenleving heeft behoefte aan meer dialoog over morele waarden, om zo de morele vanzelfsprekendheden die wij met elkaar delen aan de oppervlakte te brengen. Van dergelijke morele kwesties mogen we niet weglopen, die mogen we niet overlaten aan de morele meerderheid noch aan religieus rechts.

Het valt op hoezeer Etzioni van aanvang af dit project ziet in termen van een nieuwe, progressieve sociale beweging. In zijn memoires beschrijft hij hoe hij daarbij niet in de eerste plaats denkt aan invloedrijke bewegingen als die van de burgerrechten of het milieu, maar aan die van de neoconservatieven. In 1990 komt Etzioni tweemaal bijeen met een groep gelijkgezinden, wat leidt tot een document van twaalf pagina’s getiteld “The Responsive Communitarian Platform: Rights and Responsibilities.” Eind 1991 hebben 104 prominente personen uit uiteenlopende sectoren van de Amerikaanse samenleving (politiek, bedrijfsleven, universitaire wereld, maatschappelijk middenveld) dit document officieel onderschreven. De communitaristische beweging is een feit.

Die beweging manifesteert zich in de loop van de jaren negentig via speciale projectgroepen, positiepapers, Witte Huis-conferenties, een heuse teach-in op Capitol Hill, openbare lezingen, tv-optredens, radioshows, kranteninterviews, parlementaire hoorzittingen en wat dies meer zij. Daarnaast is er, vanaf 1991, het kwartaaltijdschrift The Responsive Community: Rights and Responsibilities. En, zoals eerder gemeld, Etzioni publiceert in deze periode een aantal boeken over het communitarisme, waarvan vooral The Spirit of Community (1993) en The New Golden Rule (1996) de aandacht trekken.

De verhouding tussen rechten en verantwoordelijkheden staat centraal in het gemeenschapsdenken of communitarisme van Etzioni. Individuele rechten en sociale verantwoordelijkheden hebben grote invloed op het functioneren van gemeenschappen—gemeenschappen als gezin, school, buurt, kerk, bedrijf, vereniging. Gemeenschappen steunen en sturen individuen, verschaffen individuen een gevoel van morele integriteit en zorgen voor sociale samenhang. Gemeenschappen vormen het fundament van de grotere samenleving: de samenleving opgevat als een gemeenschap van gemeenschappen. Maar gemeenschappen verliezen dat vermogen tot sociale binding en ordening door de opkomst van individuele rechten die zich niets aantrekken van daaraan gekoppelde sociale verantwoordelijkheden. De gemankeerde, eenzijdige aandacht voor rechten ziet Etzioni vooral bij radicale individualisten, zoals vrijdenkers en aanhangers van de American Civil Liberties Union (ACLU). De nieuwe rechtencultuur ondermijnt de mogelijkheid voor gemeenschappen om zich in te zetten voor het algemene belang van hun leden.

Aan de andere kant van het politieke spectrum ziet Etzioni een even serieuze bedreiging in de opkomst van autoritair moralisme (morele meerderheid, religieus rechts). Autoritaire moralisten lijden juist aan een teveel aan gemeenschapszin, omdat zij uitsluitend aandacht hebben voor verantwoordelijkheden die aansluiten bij een beperkte lijst van bijzondere normen, zonder dat zij daarbij acht slaan op individuele rechten. Ook dit is dus een geval van loskoppeling van verantwoordelijkheden en rechten die intrinsiek bij elkaar horen, met desastreuze gevolgen voor gemeenschappen. De derde weg van Etzioni, zijn communitaristisch alternatief voor radicaal individualisme én sociaal conservatisme, berust daarentegen op de onverbrekelijke samenhang van individuele rechten en sociale verantwoordelijkheden, en op het daaruit voortvloeiende noodzakelijke evenwicht tussen deze twee. Juryrechtspraak biedt daarvan een typisch voorbeeld. Het recht van iedere burger om terecht te staan voor een jury van zijn medeburgers vooronderstelt de bereidheid van burgers om in zo’n jury zitting te nemen.

Etzioni maakt een principieel onderscheid tussen samenleving (een gemeenschap samengesteld uit gemeenschappen), staat en markt. In de staat gaat het om mensen als burgers; in de markt om mensen als producenten en consumenten; in gemeenschappen om mensen als leden van de samenleving. Deze laatste categorie acht hij veel belangrijker dan de eerste twee. De kwaliteit van de samenleving, van de gemeenschappen daarbinnen, wordt bepaald door het evenwicht tussen individuele rechten en sociale verantwoordelijkheden. Vrijheid/autonomie en moraliteit/sociale orde mogen daarom niet tegen elkaar worden weggestreept. Wanneer sociale orde is gebaseerd op morele overtuigingen in plaats van opgelegd door het recht, en wanneer autonomie wordt begrepen als een plaats in een sociale ruimte, dan versterken deze twee sociale deugden elkaar. Dat is ook de betekenis die Etzioni geeft aan “de nieuwe gulden regel”: respecteer en ondersteun de morele orde van de samenleving net zoals je zou willen dat de samenleving jouw autonomie respecteert en ondersteunt.

Etzioni definieert een gemeenschap formeel als een sociale groep met twee kenmerken: “ten eerste een netwerk van affectief geladen betrekkingen tussen een groep individuen (…) en ten tweede een zekere mate van betrokkenheid bij een verzameling van gemeenschappelijke waarden, normen en betekenissen.” Gemeenschappen bestaan volgens Etzioni bij de gratie van gemeenschappelijke waarden, gericht op de verwezenlijking van de goede samenleving.

Het idee van de goede samenleving, waarin gemeenschappen borg staan voor de articulatie van gemeenschappelijke waarden, is wellicht het meest kenmerkende aspect van Etzioni’s communitarisme. Gemeenschappen kwijten zich van deze taak door morele stemmen en morele dialogen. Zoals individuen beschikken over een innerlijke stem die hen voorhoudt hoe zij zich moeten gedragen, dat wil zeggen die hen wijst op het verschil tussen goed en kwaad, zo gebeurt dat ook bij gemeenschappen. Via familie, vrienden, kennissen, buurtgenoten, collega’s, medeleden—op allerlei manieren ontvangen mensen binnen gemeenschappen morele reacties op hun gedragingen, van uitdrukkelijke preken tot het fronsen van wenkbrauwen. Tegelijkertijd wordt het leven binnen gemeenschappen gekenmerkt door een permanente dialoog over morele waarden, van de geoorloofdheid van het roken in openbare ruimtes tot de rechtvaardiging van het besluit deel te nemen aan een oorlog. Het bijzondere van dergelijke morele dialogen is dat zij bij uitstek plaatsvinden op basis van overtuiging, niet op basis van dwang.

Internationale betrekkingen

De afgelopen tien jaar beweegt Etzioni zich meer uitdrukkelijk op het terrein van internationale betrekkingen. Echt nieuw is dit terrein voor hem niet, want—zoals eerder gemeld—al in 1965 publiceert hij Political Unification, een studie over de voorwaarden noodzakelijk voor de ontwikkeling van federaties van natiestaten, gebaseerd op een grondige analyse van vier voorbeelden: Verenigde Arabische Republiek, West-Indische Federatie, Noordse Raad (samenwerkingsverband van Denemarken, Finland, IJsland, Noorwegen, Zweden) en Europese Economische Gemeenschap. Van die vier voorbeelden is er maar één levensvatbaar gebleken, de huidige Europese Unie. In 2001 publiceert Etzioni een nieuwe editie van deze studie, Political Union Revisited: On Building Supranational Communities, voorzien van een nieuwe inleiding van een kleine vijftig pagina’s waarin hij ingaat op het hedendaagse debat over de noodzaak van regionale en mondiale regering. Het probleem van de Europese Unie is vooral dat supranationale politieke instituties vergezeld moeten gaan van morele dialogen die uiting geven aan de ontwikkeling van gemeenschappelijke waarden en betrekkingen zonder welke een federatie het niet kan stellen. Fraai ontworpen politieke instituties zijn mooi en goed, maar zonder de steun van morele gemeenschappen werkt het niet.

In 2004 publiceert Etzioni From Empire to Community. In dit boek zet hij zich af tegen gevestigde liberale én conservatieve theorieën over internationale betrekkingen. Zijn eigen alternatief omschrijft hij als “een internationale vorm van communitarisme.” Hij bespreekt de mondiale normatieve synthese van kernwaarden die het resultaat is van diverse huidige dialogen tussen Oosterse en Westerse beschavingen. Dit weerspiegelt een trend die hij aanduidt als de opkomst van een “transnationale gemeenschap” of “nieuwe mondiale samenleving.” Als gevolg hiervan ontstaat een proces waarin mensen uit verschillende regio’s van de wereld in staat zijn elkaar moreel te begrijpen op het punt van specifieke kwesties: “Die kwesties variëren van waarden die de beweging om landmijnen uit te bannen aandrijven, tot de pogingen om de opwarming van de aarde te beteugelen, de veroordeling van kinderpornografie en het verzet tegen de invasie van soevereine landen.” Ook in dit verband wijst Etzioni op het belang van morele dialogen. In de nieuwe mondiale samenleving zijn morele dialogen niet langer voornamelijk intranationaal, maar in toenemende mate transnationaal.

Etzioni’s centrale stelling in Security First, dat verschijnt in 2007, luidt dat het buitenlandse beleid van de Verenigde Staten moet worden gebaseerd op het beginsel van het primaat van leven: het meest basale recht van alle mensen is het recht gevrijwaard te blijven van dodelijk geweld, verminking en marteling. Daarom moet dat buitenlandse beleid zich eerst en vooral richten op de garantie van veiligheid in de landen waarmee betrekkingen worden aangeknoopt, en niet op de verspreiding van democratische waarden. Het afdwingen van democratisering en van allerlei andere specifieke hervormingen in landen met een ondemocratisch, zwak of regelrecht corrupt regime geeft bovendien blijk van een groot gebrek aan werkelijkheidszin. Het model van internationale betrekkingen dat Etzioni voorstaat, is daarentegen tegelijkertijd moreel én realistisch. Bovendien geldt: veiligheid komt eerst, dan kan democratisering volgen—niet andersom.

In de wereld van internationale betrekkingen wordt veel gesproken over de zogenaamde “botsing van beschavingen” (Samuel Huntington). Maar voor Etzioni is dit vermeende antagonisme tussen beschavingen veel minder belangrijk dan de scheidslijn tussen diegenen die geweld voorstaan (extremisten) en diegenen die geweld principieel afwijzen (gematigden). In alle culturen en religies in de wereld is het aantal gematigden vele, vele malen groter dan het aantal extremisten. Dat geldt voor het Westen én het Oosten, voor christelijke religies én de islam. Etzioni spreekt in dit verband van “illiberale gematigden,” die een meerderheid van de wereldbevolking uitmaken: zij zijn niet noodzakelijk voorstanders van mensenrechten en liberale democratie, maar zij zijn tegenstander van geweld—zowel in hun eigen omgeving als elders. Deze illiberale gematigden zijn de natuurlijke bondgenoten van een realistisch, moreel, op veiligheid-eerst gebaseerd model van internationale betrekkingen, aldus Etzioni.

Publieke intellectueel

Etzioni heeft, anno 2009, in totaal 33 boeken op zijn naam staan, is daarnaast de redacteur van 15 boeken, maar publiceerde ook vele honderden artikelen in wetenschappelijke tijdschriften, hoofdstukken in wetenschappelijke boeken, boekbesprekingen, en bijdragen in kranten en opiniebladen. Maar deze onthutsende productiecijfers bevestigen opnieuw vooral zijn rol als publieke intellectueel. Of anders gezegd, zijn academische werk heeft altijd mede in het teken gestaan van zijn betrokkenheid bij maatschappelijke kwesties.

In de biografische sectie hierboven is er al op gewezen hoe belangrijk dat samengaan van academicus en activist voor Etzioni van het begin af aan is geweest, en hoe hij zelf in zijn memoires zijn rol als publieke intellectueel omschrijft als zijn missie. Maar wie oog heeft voor de ontwikkeling van Etzioni als denker, die valt op hoe dat activistische perspectief vanaf zijn eerste publicaties eind jaren vijftig steeds sterker op de voorgrond is getreden in zijn academische werk. Zijn zijn eerste stappen in de organisatiesociologie nog duidelijk herkenbaar, ook wat stijl betreft, als behorend tot en passend in de conventionele sociologie van die dagen, in de loop van de tijd maakt die conventie steeds meer plaats voor een geheel nieuwe, eigen aanpak waarin zowel de vorm als de inhoud van zijn werk worden gekenmerkt door de symbiose van theorie en actie. Het meest duidelijk wordt deze ontwikkeling weerspiegeld in de rol die hij speelt als grondlegger én voorman van het nieuwe communitarisme.

Het is opmerkelijk hoeveel aandacht het gemeenschapsdenken van Etzioni wereldwijd heeft gekregen van vooraanstaande politici. Zoals ook foto’s in zijn memoires getuigen, behoren tot die kring van politici onder meer Bill en Hillary Clinton, Al Gore, Tony Blair en Helmut Kohl. Ook Jan Peter Balkenende is een erkend fan van Etzioni, zoals bijvoorbeeld blijkt uit het Voorwoord dat Balkenende heeft geschreven voor de Nederlandse vertaling van The New Golden Rule.

De evolutie van Etzioni als publieke intellectueel heeft grote invloed op de kwaliteit van zijn werk als denker. Maar die evolutie is op nog een andere wijze van belang voor een kritische evaluatie van dat werk. Wie de geschriften van Etzioni bestudeert, wordt getroffen niet alleen door de omvang daarvan, maar evenzeer door de verscheidenheid van terreinen en onderwerpen die aan de orde komen. Dat zou gemakkelijk de indruk kunnen wekken dat Etzioni in verschillende fases van zijn leven verschillende interesses heeft gevolgd, die niet altijd veel met elkaar te maken hebben. Zo’n indruk kan zelfs versterkt worden door de indeling die in het voorgaande is gevolgd: van organisatiesociologie, via sociale theorie en economie, naar communitarisme en internationale betrekkingen. In werkelijkheid wordt het werk van Etzioni echter gekenmerkt door een opvallende mate van consistentie en continuïteit. De verbindende factor in zijn denken, zo hebben uiteenlopende commentatoren benadrukt, is de aandacht die hij besteedt c.q. het belang dat hij hecht aan normatieve compliance. Dit inderdaad is het overkoepelende thema in het gehele oeuvre van Etzioni: het duurzame evenwicht van autonomie en orde in een samenleving, dat alleen maar kan bestaan bij de gratie van de morele betrokkenheid en overtuiging van de leden van die samenleving.

Primaire bibliografie

A Comparative Analysis of Complex Organizations: On Power, Involvement, and Their Correlates, Glencoe, IL, Free Press, 1961

The Hard Way to Peace: A New Strategy, New York, Collier, 1962

Winning without War, Garden City, NY, Doubleday, 1964

Modern Organizations, Englewood Cliffs, NJ, Prentice-Hall, 1964

The Active Society: A Theory of Societal and Political Processes, New York, Free Press, 1968

The Moral Dimension: Toward a New Economics, New York, Free Press, 1988

The Spirit of Community: Rights, Responsibilities, and the Communitarian Agenda, New York, Crown, 1993

The New Golden Rule: Community and Morality in a Democratic Society, New York, Basic Books, 1996

Political Unification Revisited: On Building Supranational Communities, Lanham, MD, Lexington Books, 2001

My Brother’s Keeper: A Memoir and a Message, Lanham, MD, Rowman and Littlefield, 2003

From Empire to Community: A New Approach to International Relations, New York, Pallgrave Macmillan, 2004

De nieuwe gulden regel: Gemeenschap en moraal in een democratische samenleving, Kampen, Ten Have, 2005

Security First: For a Muscular, Moral Foreign Policy, New Have, CT, Yale University Press, 2007

Secundaire bibliografie

Coughlin, R.M., Frameworks and Findings: Assessing Etzioni’s Contributions to Sociology, D. Sciulli (red.), Macro Socio-Economics, p. 13–31

Joas, H., Macroscopic Action: On Amitai Etzioni’s Contribution to Social Theory, The Responsive Community 9 (1998/99), p. 23–31

Lehman, E.W., Prologue: From Compliance to Community in the Works of Amitai Etzioni, E.W. Lehman (red.), Autonomy and Order: A Communitarian Anthology, Lanham, MD, Rowman and Littlefield, 2000, p. xvii–xxiv

Sciulli, D. (red.), Macro Socio-Economics: From Theory to Activism (Festschrift voor Amitai Etzioni), Armonk, NY, M.E. Sharpe, 1996

Personalia

Paul van Seters is hoogleraar Globalisering en Duurzame Ontwikkeling bij TiasNimbas Business School, Universiteit van Tilburg. Hij studeerde rechten aan de Universiteit Utrecht en sociologie aan de University of California, Berkeley. Vervolgens was hij geruime tijd als hoogleraar Rechtssociologie werkzaam bij de Faculteit der Rechtswetenschappen van de Universiteit van Tilburg. Hij publiceerde artikelen en boeken op het gebied van rechtssociologische theorie, openbaar bestuur, en culturele sociologie. Zijn huidige onderzoek heeft betrekking op aspecten van recht en communitarisme, maatschappelijk verantwoord ondernemen en de global civil society. Recente boeken die hij redigeerde zijn Globalization and Its New Divides (Dutch University Press, 2003), Communitarianism in Law and Society (Rowman and Littlefield, 2006) en Bedrijfsleven en civil society (Stichting Synthesis, 2008).